Wintertuin -Nikki_4 (1)
Op vrijdag 23 november verschijnt op de Avond van de Grote Beloftes van het Wintertuinfestival een voorwerp dat nog leeft, het chapbook van Nikki Dekker (1989).  Yes The Void publiceert twee gedichten voor. Na de presentatie in Nijmegen wordt het chapbook op 27 november in Amsterdam gepresenteerd. (Foto © Gaby Jongenelen)’

Ik ben een dier

Ik ben een dier
zeg ik in de spiegel
stukjes zilver zijn zwart geworden

zoals de schallebijters die een voor een
hun eitjes in dood hout leggen elke lente
kruip ik uit mijn hol maar ik ben geen rover
die het slakkenhuis insluipt en slapende honden doodbijt.

Ja, mijn borststuk en mijn achterlijf zijn duidelijk
gescheiden, maar ik wil me niet in die kringen begeven.
Het ruikt er naar hyacinten en oud braaksel.
Als je gewend bent aan ellende is dat alles wat je hebt.

Ik ben van ver gekomen.
Ik drukte mijn lippen tegen het kroos.
Ik zwom de schoolslag tot mijn knieën braken.
Ik verzamelde wenteltrappen en geknobbelde tolhorens.
Ik hakte kleine garnalen fijn en dronk ze aangelengd met water.

Wat ik aan het doen was
is afstand scheppen tussen het dier dat ik ben
en het dier dat ik had moeten zijn
zodat ik erin kon groeien.

Ik kruip uit mijn hol om op het feestje te kijken en denk
dan al snel ik wil hier niet zijn.

Al die dieren die in de rondte rennen
achter andere dieren aan
om ze op te eten
om zich warm te houden.

In het donker houd ik mijn adem in
en laat me steeds dieper vallen
tot er geen licht meer bij kan
tot mijn longen knappen (of dat zouden moeten doen).

Sommige dieren kunnen zichzelf als ze daar zin in hebben veranderen
in beeldschone vrouwen met getailleerde, fluwelen jasjes
en naar het buurtcafé gaan om brandewijn te drinken.

De meeste dieren hebben nog nooit in hun leven een dweil vastgehouden.
De meeste dieren zeggen geen nee.
Ze bloeden dagenlang maar gaan niet dood.
Het zeezoogdier moet sterk zijn, groot genoeg om warm te blijven maar klein genoeg
om weinig te hoeven, niet bang zijn voor de schaduw die onderlangs glijdt.
Ik ben een dier dat naar de vijver kijkt en haar adem inhoudt.

Ik heb altijd honger.
Ik heb het nu al maanden koud.

De spreuken

Eerst is het woord en het woord is meervoud.
Het davert door zuurstof en een cel die methaan plast.
Dat klinkt ingewikkeld maar het betekent dat alles begint
op het moment dat de een de troep van de ander opruimt
zonder dat ze elkaar zien of willen begrijpen.
Las decisiones se toman en el momento de tomarse.

Ik plukte madeliefjes en paardenbloemen in het hondentoilet
waar nu flatgebouwen staan. Er was iemand die zich de baas noemde
en het licht uitdeed. Geen kikkerdril meer. Geen horizon.
Hij was niet zelf het licht, maar hij kon het wel voor me downloaden,
planschadevergoeding. Probeer dat maar eens uit te leggen.
Visie is een olifant die het uitzicht belemmert.

Ik herinner me de bloemen, de doodsangst, m’n hartslag,
het vermoeden dat ik een ander opat zonder af te kloppen.
Water met zand, zout met steen, viltstiften met fimoklei,
unser gemeinsames Schicksal, unsere gemeinsame Zukunft,
vriendschapsbandjes knopen om de zeeschildpad te redden,
dertigmaal tegen de klok in roeren, de spreuken.

I want to create a truly hostile environment
alsof ik weer ondersteboven geslagen ben door een golf voor Portugal.
Nu snijd ik rozemarijn door olie en zout, alsof ik weer met mijn gezicht
over de schelpbodem schuur, zeewater drink, de wereld wegpoets.
Het blijft branden, ook na appelsap. Ik spoel wat ik net was
door het putje, laten we opnieuw beginnen.

Advertisements