Picture: Vitorino Coragem

A poem by Portuguese poet Maria Brás Ferreira, and translations in English and Dutch. The translations were made for European platform Versopolis, a platform that stimulates the exchange of poetry by young, talented poets. The translations of ‘Mar A Mar’ were first published by PoëzieCentrum, Belgian partner of Versopolis.

Mar A Mar


Quando pequenina, muitas horas na praia me tomavam em
pensamentos sobre como seria o fundo do mar. Se lá poderia
viver conforme a lei dos peixes — dos mais miúdos aos

mais graúdos — e das criaturas que trataria de inventar para

melhor montar os teatros de menina. Todavia, por triste e desconhecida
razão, para habitar as profundezas oceânicas, um

Deus qualquer, flutuante e majestoso, era obrigado a escolher

a morte de um dos dois: ou eu ou todos os bichos que nasceram
no mar (e que, por isso mesmo, não sabiam como era

bonito o mar).

Morre a arte na praia. Irrompe o gozo.

Deus nunca perceberá de coisas bonitas, pois está em toda
a parte, isto é, nasceu sempre, está sempre a nascer de novo,
sem ter pernas que cruzar e braços para amar um amor débil,
insolente, ou mesmo patético, até que o milagre pereça às
horas prescritas.

Começa Deus na praia. Falece de gozo: perícia artística.

Eu prefiro os lugares recolhidos, por onde Deus não se aventure
e de onde se possa tão-só imaginar, infinitamente (as imagens
trémulas, finas membranas de tédio-volúpia). Dar às
mãos o toque claro do horizonte, e aos olhos a cor inteiramente
difusa da lonjura. Será, no fim, o que é e o que somos: ínfimas
brechas, desassossego preventivo, o recolho soprado de uma
verdade pressentida, o abrigo imposto na espera amordaçada
pelo grito.

Amanhei-me continuamente nas minhas acrobacias complicadas,
de nadar no ar, voar rente ao chão, na esperança de

sentir sem magoar, resistir à resistência. Preferi soerguer aos
pés as palavras hidrogénicas — habitar o composto, visar a
interrupção clamorosa da brevidade.

O mar resta, e publicamente morro assim, a amar os seus precipícios,
mar a mar, para que enfim me reste toda a sua fauna
crespa, sem ternura original, só afectação. Saio vitoriosa,

e não haverá cobardia nisto que se não possa chamar beleza
e espécie.
Oxalá continuemos, nós, gente, a fazer vida junto às águas,
para melhor e longamente as possuirmos. De longe, os dias
no último mergulho — assim guarda um solstício o tesouro
do ano inteiro.



Sea to Sea
(translation by James Topham)


When I was young, many hours on the beach made me think about what the bottom of the ocean was like. If I could live there by the fish’ laws — from the smallest to the largest ones — and the creatures I would go to the lengths of making up to help set up girlish plays. However, for sad and unknown reasons, to inhabit the ocean depths, some God, floating and majestic, was made to choose between one of two deaths: either mine or that of all the creatures born in the sea (who, for that reason, had no idea how beautiful the sea was).
 
Art dies on the beach. Joy breaks out.
 
God will never know about beautiful things, because he is everywhere, that is, he was always born, is always being reborn, with no legs to cross or arms to love a tenuous love, insolent, or even pathetic, until the miracle perishes at the appointed hour.
 
God begins on the beach. He dies of joy: artistic expertise.
 
I prefer the secluded places, where God won’t wander and from where one can just imagine, infinitely (the trembling images, thin membranes of voluptuous boredom). Giving one’s hands the clear touch of the horizon, and eyes the entirely diffuse colour of distance. In the end, it shall be what it is and what we are: tiny apertures, pre-emptive disquiet, the blown withdrawal of a perceived truth, the shelter imposed on the wait, gagged by screaming.
 
I continually got along with the help of my complicated acrobatics, swimming in the air, flying close to the ground, in the hope of feeling without hurting, resisting resistance. I preferred to raise the hydrogenic words up to my feet — inhabit the composition, aiming at the clamorous interruption of brevity.
 
The sea remains, and I publicly die thus, loving its precipices, sea to sea, that at last all its untamed fauna remains for me, with no unique tenderness, only affectation. I leave victorious, and there will be no cowardice in this that cannot be called beauty or breed.
 
Let’s hope we go on, we, people, making a life for ourselves by the water, so that we can own it better and longer. From afar, the days in the last dive — thus a solstice keeps the treasure of the whole year.


Zee aan zee
(vertaling door Harrie Lemmens)

Als kind lag ik op het strand vaak urenlang na te denken 
over hoe het op de bodem van de zee zou zijn. Of ik daar zou
kunnen leven volgens de wet van de vissen – van de kleinste

tot de grootste – en van alle schepsels die ik zou verzinnen om 

mijn poppenhuisjes mee te vullen. Maar om een trieste, onbekende 
reden moest, wilde ik diep in de oceaan kunnen wonen, een

of andere drijvende, majestueuze God kiezen voor de 

dood van een van de twee: ik of alle dieren die waren geboren
in de zee (en die precies om die reden niet wisten hoe mooi

de zee was).

De kunst sterft op het strand. Het genot overweldigt.

God zal mooie dingen nooit opmerken, want Hij is overal,
dat wil zeggen, Hij was er altijd al en wordt altijd weer geboren,
zonder benen om over elkaar te slaan of armen om een prille,
brutale, of zelfs roerende liefde te koesteren tot het wonder wegebt
op de voorgeschreven uren.

God begint op het strand. Hij sterft van genot: artistiek vakmanschap.

Ik verkies afgelegen beschutte plekjes, waar God zich niet op waagt
en waar je je alleen maar eindeloos dingen kunt verbeelden (de beel-
den onscherp, dunne vliesjes verveelde wellust). Aan je handen
de helderheid van de horizon geven, en aan je ogen de geheel en al
vage kleur van de verte. Dat is uiteindelijk wat wij zijn: onbeduidende
spleetjes, preventieve onrust, de ademtocht van een voorvoelde
waarheid, de schuilplaats in het wachten dat gekneveld wordt 
door de schreeuw.

Ik heb onafgebroken op mezelf gepast bij mijn ingewikkelde acrobatiek 
van zwemmen in de lucht en over de grond scheren, in de hoop

te voelen zonder pijn, te weerstaan aan de weerstand. Ik heb altijd
waterwoorden aan mijn voeten willen geven – de verbinding bewonen, mikken 
op de rumoerige onderbreking van de kortstondigheid.

De zee blijft en en public sterf ik zo, met houden van zijn afgronden, 
zee aan zee, opdat ik tot slot zijn onstuimige dierenwereld overhoud,
zonder echte liefde, alleen maar gemaaktheid. Ik kom er als overwinnaar uit

en er schuilt hier geen lafheid in die je niet schoonheid en onthutsing 
zou kunnen noemen.
Hopelijk blijven wij mensen leven maken bij het water, opdat we dat
beter en langduriger in ons bezit houden. Vanuit de verte de dagen 
in de laatste duik – zo bevat een zonnestilstand de schat van het hele jaar.




Advertisement