Nieuwe poëzie van Dominique De Groen, een reeks van zeven gedichten uit de bundel-in-wording SLANGEN.
Zeven wonderbaarlijke meditaties voor volle maan 
(uit: SLANGEN)

1.

In de duisternis ontvouwt zich
een mythisch landschap: vijf concentrische cirkels
rond een grillige zwarte rots.

2.

In de buitenste cirkel zoekt hoekige zwarte pixelslang
tegen gifgroene luminescente achtergrond
een weg door het labyrint van haar eigen lichaam.

3.

De tweede cirkel is een dun ringvormig kanaal gevuld met zoutzuur
waarin de engel van de geschiedenis oplost
over een periode van miljoenen jaren.

Een smalle stenen brug transformeert pixels tot schubben.

4.

In de derde cirkel kronkelt de koolzwarte slang
in het kreupelhout van het nu

haalt haar zachte buik open
aan een kluwen van harde, scherpe takken
dat de horizon onzichtbaar maakt

bloedt juwelen van jade en goud
die glinsteren in het maanlicht
& wanneer de zon opkomt
desintegreren tot as.

5.

Naar de vierde cirkel sleept ze zich
lege huls, dorre huid
zonder inhoud of organen.

In de spierwitte woestijn onder helblauwe hemel
vult ze haar buik met zand
plakt zichzelf dicht met gif uit haar tand.

Het tintelt.

6.

De vijfde cirkel: een bos zo dicht
dat er geen licht van de hemellichamen binnensijpelt
dode bomen gedrenkt in olie.

In dit vervloekte land groeit niets levends.

7.

Een inktzwarte rots rijst uit de onvruchtbare vlakte.

De slang, haar lichaam zwaar van zand, sleept zich langs een glinsterend pad naar boven.

In de hitte zwellen haar schubben, vormen korsten, spatten open.

Op het hoogste punt zit een meisje, blik somber op de einder
bloed gutst uit de open wonde in haar lendenen
mengt zich met het zand, haar platinablonde haren
maden krioelen in de etterende krater
spartelen op de binnenkant van haar dijen.

Met haar laatste krachten wikkelt de slang zich rond het besmette lichaam.

Uit de kapotte schubben loopt een zilverachtige vloeistof
die zich vermengt met het bloed van de Gewonde Koningin

tranen lopen over haar zachte wangen terwijl ze verstrengeld met de koele stervende slang uitkijkt over haar land waar nu opnieuw knoppen op de bomen staan, kiemen uit de bodem komen, azuurblauwe golven de witte woestijn overspoelen en lichtroze waterslangen lachend over elkaar heen buitelen, om ter hoogst springend naar de opkomende maan.