A clip by Alexandra Crouwers for Stalker by Joost Decorte. Read the full poem below.

Vertrouwde plekken boots ik na en met moederlijke moeite
Verwarmt de legende het leeggelopen land. Huizen worden betrokken,
Balkons krijgen vergezichten en kinderen vergroten tuinen tot een vrees,
Pratend in onbedekte termen.

Als je alles leest, keert het geweld terug:
De mosgroene vlekken botten, en in het aangeduide woud loopt de lente uit
Op kaalslag en kleine sterfte in het kreupelhout.
Van de weg wordt het zwijgen zo precies en puntig dat het vlees en wintervacht
Van het bot kan scheiden.

Je schuimt de greppels af op een teken, de panden van een jas
Die een bekende kunnen toebehoren, sporen in nat gras die zullen leiden naar de resten
Van een spel dat werd gespeeld tot het bloed en dan verlaten, iets
Wat je met het bestaan van oude gewoonten kan verbinden.

Maar nooit is zeker of het hier was.

Het gelijkt, zoals het opgezette dier het dier, het opgeprate woord het ding. –

Ergens moet het zijn nochtans, onbewoond en met een wacht voor de lippen,
Wachtend tot het herbegint, dit tikken van mijn tegenwijzerzin
In klokken in kamers achter vuile ruiten, de platgetreden paden buiten
Wachtend.

Ergens moet het blijven, in de eendere tijd van een ander
En meer nog zoals jij bent: gaandeweg.

 

 

 

Uit: Joost Decorte: Stalker. Poëziecentrum (2017).

Advertisements