christophe_tarkos

Een ‘fabricant de poèmes’, vervaardiger – zelfs fabrikant – van gedichten: zo karakteriseerde Christophe Tarkos zichzelf ooit. Een veelzeggende omschrijving. Voor Tarkos waren gedichten, was taal net zo tastbaar als de wereld. Taal staat niet los van de wereld, maar is ‘even concreet als een zak zand die op je hoofd valt, volkomen werkelijk, volkomen doeltreffend, efficiënt, bruikbaar.’

Christophe Tarkos werd in 1963 in Martigues geboren (en niet in 1964 in Marseille, volgens een hardnekkige mystificatie die hij zelf in de wereld heeft gebracht.) Zijn zelfgekozen achternaam is achterstevoren te lezen als ‘Sokrat’, en is tevens een verwijzing naar de Russischer filmmaker Andrej Tarkovski. Tarkos woonde afwisselend in Marseille en Parijs, waar hij in de jaren negentig regelmatig in psychiatrische inrichtingen verbleef. Al in het vroege begin van de jaren negentig had hij veel contact met andere schrijvers, hij stuurde werk naar uitgeverijen en werd met zijn extreme voordrachten een prominente figuur in het performance-circuit, dat vooral in kunstacademies, galeries en bibliotheken actief was.

In 1993 richtte hij samen met Nathalie Quintane het tijdschrift R.R. op. Het was een vouwblad op A3-formaat, ‘facilement situable, pliable et rangeable’ (makkelijk te situeren, op te vouwen en op te bergen), dat gratis werd verspreid. In het voorjaar van 1997 richtte hij samen met Katalin Molnár het tijdschrift poézi prolétèr (iets als ‘proletariese powezie’) op, en in 1999 met Charles Pennequin en Nathalie Quintane het tijdschift Facial.

In 1995 kwamen de eerste verspreide publicaties in tijdschriften en bij kleine uitgeverijen. In 1996 verscheen zijn eerste bundel Oui bij een gevestigde uitgeverij, Al Dante. Daarna volgden nog tien bundels, deels bij Al Dante en deels bij P.O.L. In 1999 werd bij Tarkos, die aan epileptische aanvallen leed, een hersentumor ontdekt, en vijf jaar later, in 2004, overleed hij op veertigjarige leeftijd in Parijs.

Tarkos kiest een volstrekt originele oplossing voor de problematische band tussen taal en werkelijkheid. Taal is immers uiterst gebrekkig gereedschap om iets over de werkelijkheid te vertellen. Tarkos ziet taal niet als de codering van iets ánders, of de weergave van iets dat zich elders afspeelt. Het is zélf iets. Als de taal de waarheid niet kan uitdrukken, maakt de dichter Tarkos maar waarheid van de taal: ‘De waarheid zit in de tekst zelf, de tastbare waarheid van het materiële bestaan van de tekst.’

Tarkos laat zijn gedichten zélf werkelijkheidjes worden, zo zelfvoorzienend mogelijk, met minimale verwijzingskracht naar de buitenwereld. Hij noemt zijn gedichten ‘Vierkanten’ (Carrés), en het zíjn vierkanten. Hij noemt ze ‘Kisten’ (Caisses), en vult ze met taal. Bij Tarkos is het gedicht in haast letterlijke zin een ding, een blokje, dat je zó van de pagina lijkt te kunnen pakken.

Tarkos’ werk mag dan uniek zijn, het is duidelijk in een traditie te plaatsen. De minimalistische openingszin ‘Fini, c’est fini, ça va finir, ça va peut-être finir’ uit Fin de partie van Samuel Beckett lijkt haast een logisch vervolg op zinnen van Tarkos als: ‘Il est par là. Il essaye d’apparaître. Il commence à peine.’ (Hij is daar ergens. Hij probeert te verschijnen. Hij begint nog maar net.) Tarkos werkt met herhalingen en variaties, verschuivingen, omkeringen, tegenspraken, ontsporingen. De bezwerende kracht van de repetitieve, dynamische patronen doet denken aan de muzikaliteit in het werk van Gertrude Stein, en buiten de literatuur ook aan minimal music, of de choreografieën van Anne Teresa de Keersmaeker, met hun obsessieve herhalingen die soms doen denken aan de motoriek van psychiatrische patiënten. Bij Tarkos komt de taal soms erg dicht bij de echolalie: ‘Ik kam me. Ik heb mijn kam, ik ben nu gekamd, ik heb me gekamd […]’ lijkt sterk op de dwangmatige monoloog van iemand die het geestelijke evenwicht kwijt is.

Met Francis Ponge deelt Tarkos het ‘objectieve’, registrerende karakter van zijn teksten. Ponge poogt in zijn Parti pris des choses de ‘dingen’ nauwkeurig te fixeren, te omcirkelen, af te bakenen. Ook Tarkos kiest in zijn gedichten vaak de kant van de dingen: ‘Het ei, ‘De ui’, ‘De ballon’. Tarkos richt zich in carrés eveneens op één enkel gegeven, een situatie, een stelling, bijvoorbeeld: ‘Ik zit op een stoel’, of ‘Ik bel aan’ en benadert het op quasi-naïeve manier van alle kanten, zoals Ponge deed met voorwerpen (‘De citroen’, ‘De oester’, ‘De doos’). Het uitgangspunt ligt in de realiteit, het voorwerp wordt vervolgens geïsoleerd, losgemaakt van de omstandigheden. Tarkos gaat echter verder dan Ponge,en lijkt via de taal de strijd aan te gaan met de werkelijkheid: de tekst moet even werkelijk worden als de werkelijkheid.

Betekent dat dan toch vertrouwen in de taal? Tarkos is er in ieder geval wél van overtuigd dat taal een groot effect kan hebben, zo blijkt ook uit zijn uitspraak over de ‘zak zand’ die op je hoofd valt. Woorden zijn voor Tarkos reëel, niet gescheiden van de wereld, in die zin dat ze veel teweeg kunnen brengen. Met één leugen kun je iemands hele leven op zijn kop zetten.

In zijn poëzie gebruikt Tarkos taal dan ook niet zozeer als gereedschap om iets over de wereld te zeggen, maar meer als bouwmateriaal om een eigen werkelijkheid te scheppen en draaiende te houden. De tekst ‘dient’ nergens voor, zo zegt Tarkos, deze is zélf iets. Tarkos’ gedichten zijn een soort machientjes die beginnen te lopen als je begint te lezen. In de tweede tekst die hier is vertaald wordt al lezende expliciet een machine in werking gezet.

Deze verschuiving van taal als gereedschap naar taal als doel op zich zou je verbeeldt kunnen zien in de eerste en derde tekst die hier vertaald zijn. Aanvankelijk wordt de toevlucht gezocht tot werktuigen: ‘In dat geval met een schroevendraaiertje proberen. Als dat niet werkt, met sleutels proberen. […]’ Als dat middel niet volstaat, wordt de hoop op het lichaam gevestigd: onder meer vingers, handen, rug, voeten, voorhoofd en neus worden ingezet, overigens met toenemende gewelddadigheid. In het laatste stadium wordt de toevlucht gezocht tot de taal – zij het goeddeels rudimentaire taal: voornamelijk vloeken en schreeuwen.

Ook in het derde gedicht is een overgang van mechanisch instrument (de bel) via het lichaam (aankloppen) naar de taal (uiteindelijk taal in het hoofd: denken) te zien. Van aanbellen naar kloppen naar praten naar denken. De taal als laatste toevlucht wanneer pogingen om grip op de wereld te krijgen, falen. Taal als het enige dat ons rest om iets tot stand te brengen.

 

Kiki Coumans

Dit artikel verscheen eerder op Terras

Advertisements